|

Hier leest u, in vogelvlucht, iets over de geschiedenis van
de Neder-Betuwe, waarin een aantal wetenswaardigheden van
dorpen of gebieden van onze gemeente wordt uitgelicht.
T-boerderijen
Opvallend in het Gelders rivierengebied zijn de
karakteristieke T-boerderijen, waar vroeger vooral de
grotere boeren in woonden. Het voorhuis van zo'n boerderij
is anderhalve verdieping hoog en meestal met riet gedekt.
Het staat haaks op het achterhuis, waar de stallen zijn, en
vormt daarmee in plattegrond de letter T. De kleine
keuterboertjes en dagloners woonden in de simpele
dijkhuisjes, die later zeer in trek kwamen bij stedelingen
die zich in de streek wilden vestigen of een tweede woning
zochten.
Rechte en kale dijken
Om het water te keren werden de oeverwallen op sommige
plaatsen met elkaar verbonden.
Tenslotte ontstond na eeuwen een gesloten dijkensysteem.
Soms waren de oeverwallen hoog genoeg, maar vaak werd over
grote afstanden een dijk opgeworpen. Om de kosten laag te
houden werd zo veel mogelijk de buitenste stroomgeul van de
rivier gevolgd met zo weinig mogelijk bochten. De
middeleeuwse dijken waren dan ook vrij recht en kaal. De
bochtige dijken die we nu kennen ontstonden tijdens de
voortdurende strijd tegen het water.
Het erf van Erich
In de Karolingische tijd begon men met het ontginnen van de
grond voor de landbouw en de eerste dorpsgemeenschappen
ontstonden. Die ontginningsnederzettingen kregen vaak een
naam die eindigde op heem of het daarvan afgeleide em en um
-wat erf of huis betekent- en daar werd dan de naam van de
eigenaar aan toegevoegd. Dat is bijvoorbeeld terug te vinden
in de naam van het dorp Erichem (het erf van Erich).
In de twaalfde en dertiende eeuw nam de bevolking sterk toe
en er ontstond een grote behoefte aan landbouwgrond. In de
bovenstroomse gebieden werden door de bevolking veel bossen
gekapt, zodat het regenwater niet meer werd tegengehouden en
als een grote golf naar beneden kwam. Dat is het moment
waarop een voor het rivierengebied historische ontwikkeling
begon: de aanleg van dijken
Het Amsterdam-Rijnkanaal
Bij Ravenswaaij kruist het Amsterdam-Rijnkanaal de Lek.
Vroeger liep de verbinding tussen Amsterdam en de Rijn nogal
gebrekkig via de Zuiderzee, de Vecht, de Utrechtse
stadsgrachten, de Vaartse Rijn en de Lek. Daar kwam
verbetering in door het graven van het Merwedekanaal, zodat
de Amsterdamse schepen bij Gorinchem de Boven-Merwede op
konden varen. Maar dat kanaal bleek al snel te klein en in
de jaren dertig werd besloten een rechtstreekse verbinding
aan te leggen tussen Amsterdam en het Roergebied. Oostelijk
van het Amsterdam-Rijnkanaal ligt het dorp Rijswijk, dat een
oeroude veerverbinding heeft met het vestingstadje Wijk Bij
Duurstede, aan de overzijde van de lek.
Dijkhuisjes
De rivierdijken zijn nog steeds een bepalend element in het
Neder-Betuws landschap. Eeuwenlang waren het ook de
belangrijkste verbindingswegen tussen de dorpen, die vrijwel
allemaal tussen de dijken genesteld lagen. Logisch, want in
geval van overstroming kon men zijn have en goed veilig op
de dijk brengen. Veel dorpen vertonen nog steeds het
klassieke bouwpatroon: een kern met kerk en raadhuis op het
hoogste deel van de stroomrug en aan weerszijden daarvan een
lintbebouwing langs de dijk. Evenwijdig met de dijk loopt
een voorstraat, parallel daaraan loopt meer landinwaarts een
achterweg en daartussen liggen de dwarswegen, die via een
stoep uitkomen op de dijk.
De Soelense Stijl
Bij Zoelen kruist de Linge via een duiker het
Amsterdam-Rijnkanaal en daar begint hij op een echte kleine
rivier te lijken. Zoelen lag eertijds ook aan het al lang
verdwenen riviertje de Soel. Vandaar de naam van het dorp
dat zijn oeroude oorsprong vindt in de tweede eeuw.
Omstreeks 1500 werd dichtbij het dorp een kasteel gebouwd,
op een eiland, omgeven door een gracht. De geschiedenis van
het landgoed rond kasteel Soelen is boeiend. In de
zeventiende eeuw werd daar een park aangelegd in een strak
patroon, volgens de Franse geometrische stijl. Toen een eeuw
later de Engelse landschapsstijl -met kronkelende lanen,
vijvers en open ruimten- in de mode kwam ontstond er een
heel eigen mengvorm, die de 'Soelensche Stijl' wordt genoemd
en die merkwaardige combinaties oplevert. Behalve bos liggen
op het landgoed ook akkers, weilanden en hoogstamboomgaarden
die ecologisch beheerd worden zonder kunstmest en chemische
bestrijdingsmiddelen. Dat leidt op den duur tot de terugkeer
van het oude agrarische landschap.
De opkomst van de baksteenindustrie
Door de verbetering van de transportmogelijkheden met
treinen en schepen, werd de baksteenindustrie in de loop van
de negentiende eeuw geconcentreerd in het Gelders
rivierengebied. Het fabriceren van baksteen was toen nog een ambachtelijke
aangelegenheid. De stenen werden met de hand gevormd, er
werd met kleine veldovens gewerkt en men was voor het drogen
afhankelijk van het weer. Vanaf de eeuwwisseling veranderden
de oude steenovens in moderne steenfabrieken, waar de stenen
mechanisch werden gevormd en gebakken in grote ringovens.
Die ontwikkeling ging steeds verder, waardoor ook nu in het
rivierengebied de grootste en modernste steenfabrieken
staan.
De eerste kerken
Vanaf het begin van de twaalfde eeuw werden er aanvankelijk
Romaanse kerkjes gebouwd. Oorspronkelijk waren het allemaal
rooms-katholieke kerken, maar de reformatie bracht daar
verandering in. Het land van de grote rivieren werd na de
reformatie een grensgebied tussen het calvinistische noorden
en het roomse zuiden. Nergens in Nederland zijn dan ook
zulke grote verschillen te vinden tussen volledig
rooms-katholieke en geheel hervormde gebieden.
Typerend voor de Neder-Betuwe zijn de vijftiende- en
zestiende eeuwse kerken van Ommeren, Maurik, Eck en Wiel,
Ingen en Lienden. Het zijn typisch protestantse kerken,
fraai gerestaureerd met een aansprekend interieur:
zeventiende-eeuws kerkmeubilair in Eck en Wiel, een
prachtige preekstoel uit 1672 in Ingen en veel oude
grafzerken. In de kerken van Maurik en Lienden kwamen
tijdens een restauratie vijftiende-eeuwse wandschilderingen
tevoorschijn.
De eerste Betuwnaren
Zo'n vijfduizend jaar geleden vestigden de eerste Betuwnaren
-waarschijnlijk vissers en jagers- zich op de hoge
oeverwallen van de rivieren. Er waren toen slechts enkele
nederzettingen. Pas sinds de Romeinse tijd raakte het
rivierengebied vrij dicht bevolkt.

Voor de Romeinen waren de rivieren belangrijk voor militair
transport. Bovendien beschouwden ze de Rijn als de
noordgrens van hun immense keizerrijk. Zo rond het begin van
onze jaartelling verschenen ook de Bataven (Batavieren) op
het toneel. Geen stelletje woestelingen, zoals de oude
schoolboekjes doen geloven, maar een geciviliseerde
Germaanse stam, die zich in de Rijndelta vestigde. Zij
werden als bondgenoten in het Romeinse rijk opgenomen. De
Bataven hebben hun naam aan de Betuwe gegeven. Romeinse
geschiedschrijvers noemden het gebied Batavia of Batavi of
Insula Batavorum (eiland van de Bataven) en daaruit is de
naam Betuwe ontstaan.
De dijkgraaf
Graven, hertogen en bisschoppen bepaalden of er ergens een
dijk mocht worden aangelegd. In dijkbrieven werd bepaald hoe
een dijk beheerd moest worden. Zo ontstonden de eerste
waterstaatsorganisaties, met aan het hoofd een dijkgraaf. De
dijkgraaf werd bijgestaan door een aantal heemraden, meestal
grootgrondbezitters, want die hadden het meeste belang bij
een goede waterbeheersing. Zij hielden streng toezicht of
grondeigenaren hun dijken goed onderhielden. Drie- tot vijf
maal per jaar werd de schouw gehouden. Gezeten te paard reed
de dijkgraaf over de dijk, gevolgd door de heemraden, de
dijkschrijver (secretaris) en een aantal bedienden. En kon
iemand een reparatie niet betalen, dan moest hij op de dijk
staan en voor de dijkgraaf de eed afleggen dat hij geen
bezittingen meer had. Daarna werd hij uit het gebied
verbannen en legde de dijkgraaf beslag op zijn gebied.
De bloeiende Betuwe
In de 19e eeuw was de fruitteelt nog maar een bijverdienste.
Daar kwam rond de eeuwwisseling grote verandering in, toen
de vraag naar fruit toenam en het vervoer per spoor
verbeterde. De export kwam op gang en conservenfabriekjes
werden gesticht. Het aantal boomgaarden breidde zich uit en
werden beter onderhouden. De jamfabriekjes groeiden uit tot
een belangrijke industrie. De 'Bloeiende Betuwe' trok het
voorjaar vele duizenden toeristen, die zich vergaapten aan
de tere kleurenpracht in Neerlands fruittuin. In de jaren
zestig van de vorige eeuw bleek echter dat de Betuwse
fruitteelt binnen Europees verband niet meer rendabel was.
De meeste hoogstamboomgaarden werden gerooid en vervangen
door langgerekte fruitakkers, die efficiënter kunnen worden
onderhouden. Daardoor verdween een groot deel van de
kersenteelt. En juist de kersentijd was een jaarlijks
hoogtepunt in het Betuwse landleven. Vroeger was de
kersenpluk een drukke tijd maar vooral een sociaal gebeuren,
met veel gezelligheid en af en toe een maatje jenever om de
stemming erin te houden.
Buren en Oranje
Op 8 juli 1551 werd in het stadje Buren het huwelijk
voltrokken tussen Willem van Oranje en Anna van Buren, de
dochter en enige erfgename van Maximiliaan van Egmond-Buren.
Door dit huwelijk kwam het graafschap in het bezit van het
Huis van Oranje en die band tussen Buren en de Oranjes zou
eeuwen blijven voortbestaan. Ook nu nog draagt de regerende
vorstin de titel 'gravin van Buren'. Koningin Wilhelmina
maakte daar veelvuldig gebruik van als zij incognito reisde.
Kroonprins Willem Alexander schreef zich als W.A. van Buren
in voor de Elfstedentocht.
De stad bewaart vooral een herinnering aan Maria van Nassau,
de dochter van Willem en Anna. Zij bleef haar hele leven
wonen in Buren en deed veel voor de stad. In 1616 liet zij
het schitterende weeshuis bouwen wat beschouwd wordt als een
van de mooiste voorbeelden van Hollandse renaissance.
Aardappeljenever en paardenfokkers |